huisarts

In het stenen tijdperk stierven veel  mensen erg jong door infectieziekten, voor vrouwen was bevallen levensbedreigend  en  jonge mannen riskeerden hun leven bij de  jacht; ook andere traumata en tandabcessen waren toen  belangrijke doodsoorzaken.

Wanneer wij een reuzenstap in de tijd zetten  (naar de tijd voor de industriële revolutie), dan zien wij dat de eerste levensjaren, voor vrouwen het baren van kinderen en voor iedereen allerlei infectieziektes (griep, cholera, dysenterie, longontsteking, roodvonk, melaatsheid, leverparasieten...) naast ongevallen belangrijke doodsoorzaken blijven.

Vandaag  sterven meer en meer mensen na langdurige, chronische, degeneratieve ziekten, die in het (verre) verleden nauwelijk voorkwamen omdat men meestal zo oud niet werd; denken wij maar aan hart- en vaatziekten, beroertes, chronisch obstructief longlijden, suikerziekte, kanker en de ziekte van Alzheimer.

Deze dramatische veranderingen in ziektebeelden  vragen natuurlijk ook een andere geneeskundige aanpak: waar de vroegere  geneesheer vooral met  acute, levensbedreigende situaties geconfronteerd werd, moet de  huisarts vandaag de dag  veel meer oog hebben voor deze  chronische, degeneratieve ziekten. Ook kanker is in vele gevallen een chronische ziekte geworden. De moeilijke taak  om de patiënt adequaat te begeleiden in dit labyrint van zorgaanbod is één van de kerntaken van de huisarts.  Verder is een belangrijke taak van de eerste lijnsgeneeskunde het vroegtijdig opsporen van deze ziekten om op die manier  de evolutie gunstig te  beïnvloeden.