acute en chronische pijn

Er is een essentiëel onderscheid tussen plotse, acute pijn en sluipende, chronische pijn.

Waar bij acute pijn strukturele informatie uiterst belangrijk is (bijvoorbeeld een echografie die een spierscheur aan het licht brengt), is bij chronische pijn functionele informatie vaak veel interessanter. Functionele informatie geeft ons namelijk inzicht in de werking van de motorische sturingsprogramma's van het centrale zenuwstelsel, in de werking van het perifere zenuwstelsel en de daarmee samenhangende activatie van de spieren.

Bij acute pijn onderneemt het lichaam acties om aan de pijn te ontsnappen bijvoorbeeld door het wegtrekken van de voet wanneer men in een doorn trapt.

Bij chronische  pijn is er ook een motorisch antwoord op de pijnprikkel, maar de activiteit  van de spieren slaagt er niet in om de pijn te beheersen. Daarom plant het centrale zenuwstelsel nieuwe acties, maar ook deze acties blijven zonder positief resultaat.   Zo ontstaan corrupte signalen die in een domino-effect resulteren:  er ontstaan compensatoire spierspanning die in een nog groter dysfunctioneel bewegingspatroon  uitmonden.

Bij chronische pijn zijn symptomen maar symptomen, tekenen die er iets fout gaat, geen diagnostisch betrouwbare  indicatoren. Beschermende reflexen vormen de basis van foute bewegingspatronen en domineren de pathologie. Zelden is de plaats van de pijn de bron van de pijn.

Bij pijnbestrijding moet men met deze gegevens rekening houden wil men een goed resultaat bekomen.